GESCHIEDENIS MARIAKERK

Uit een 2-tal documenten uit 1392 en 1398 blijkt dat er in die tijd een kapel bestond in Schoten, die gebruikt werd door een 4-tal kluizenaars die daar ook woonden. Albrecht, de toenmalige graaf van Holland, had toestemming gegeven voor de bouw van dit complex dat was toegewijd aan de H. Maagd Maria. 

In 1537 kreeg Jan Gijssen van Blanckeroort toestemming van de toenmalige heer van Brederode om een zandvaart te graven vanuit de duinen tot aan de Delft. Vandaar zou de vaart over zijn eigen land naar het Spaarne doorgetrokken worden. Ten noorden van de vaart ontstond het dorp Schoten. Inmiddels was de reformatie in volle gang. De overwegend r.k. gemeenschap had weinig op met de nieuwe protestantse eredienst. Zij werden gedwongen gebruik te maken van schuilkerkjes en de kapel raakte in verval.

In de Napoleontische tijd kwamen de katholieken weer uit hun schuilhoeken tevoorschijn. Aanvankelijk werd er gekerkt te Haarlem of te Velzen. Reeds in 1810 werd er een bijkerk gesticht in Schoten. Deze is vermoedelijk voortgekomen uit een schuilkerk die in de omgeving van het huidige Flevoplein gestaan moet hebben. Over deze kerk is verder weinig bekend.

Toen pastoor Nico van Gastel in maart 1844 arriveerde, trof hij een vervallen kerkgebouw aan zonder pastorie. Hij ging voortvarend te werk en op 17 april vond de eerste doop plaats. Op 14 juni kwam de goedkeuring van de scheiding van de parochies van Velzen en Schoten los. Daarmee is op 26 juni 1844 de officiële geboortedag van de parochie Schoten. Ondertussen waren er al voorzichtige plannen voor een nieuwe kerk. De parochie was nog niet kapitaalkrachtig genoeg. Omdat het aantal parochianen gestadig groeide, nam de behoefte aan een groter kerkgebouw toe.

Pastoor van Gastel zorgde uit eigen portemonnee voor een predikstoel, kerkornamenten, een zilveren cibarium en een misgewaad. Uiteindelijk is hij in 1853 vertrokken, wellicht omdat de financiële problemen onoverkomelijk leken. Hij werd opgevolgd door pastoor H.P. Roekes. Deze voerde tijdens zijn kortstondige dienstbaarheid aan de parochie de gewoonte in om iedere donderdag een H. Mis op te dragen ter ere van de H. St. Bavo. Zijn slechte gezondheid begon hem parten te spelen en hij overleed in 1856, maar… niet voordat hij de grondslag had gelegd voor de bouw van een nieuwe kerk. 

Zijn opvolger, pastoor A.F. Schuurkamp, mocht meer dan 34 jaar zijn bediening van de parochie met hart en ziel uitoefenen. Al snel kon worden begonnen met de bouw van de nieuwe kerk op het perceel aan de Straatweg dat hiervoor was aangekocht. Op 22 april 1857 werd de eerste steen gelegd en op 25 augustus 1858 werd de H. St. Bavo kerk officieel in gebruik genomen. 

Inmiddels was het Bavokerkhof ook al aangelegd (zie de info elders op deze website).
Het orgel uit het oude kerkje werd naar de nieuwe kerk overgebracht. Verder werd er door de gemeenschap veel geschonken. Een van de belangrijkste stukken, zijn de Kruiswegstaties (1869) die nog steeds in onze huidige kerk de wanden sieren.
Vlak vóór de voltooiing van de kerk begon de klokkenmaker, de heer Barend Wempe, uit eigen beweging en dus zonder opdracht, aan het maken en plaatsen van een uurwerk in de toren. Het toenmalige bestuur hoorde hier verder niets over, totdat er in 1870 een nota van f 700,- gulden op de mat viel voor het bouwen van het thans voltooide torenuurwerk! Aanvankelijk wilde het bestuur het uurwerk nog als geschenk aannemen, maar de heer Wempe ging hier niet mee akkoord. Daarop liet het bestuur het torenuurwerk taxeren. De waarde was precies f 700,- gulden.

Pastoor Schuurkamp was niet alleen een goed herder, maar zorgde ook op financieel gebied goed voor zijn parochie. Zo werden schulden zo snel mogelijk afbetaald en moesten er nieuwe uitgaven gedaan worden, dan wist hij vanaf de preekstoel zijn parochianen tot vrijgevigheid aan te sporen. Op 22 mei 1868 werd in de parochiekerk een uitvaartdienst gehouden voor Schotenaar Thomas Hubertus Maas, die als pauselijk Zouaaf bezweken was in het hospitaal te Rome. Op 17 december 1887 was Henricus Cornelis Nelis de eerste Schotenaar die tot priester gewijd werd. De eerste Schotense missionaris was pater Petrus Henricus Breek (Carmeliet) Hij werd op 8 september 1889 te Boxmeer tot priester gewijd en vertrok naar Amerika waar hij onder de ‘Roodhuiden’ heeft gearbeid.

De Schotense dames trokken op zondagmiddagen tijdens hun wandeling de kerk in. Hier zong dan het mannenkoor en de dames genoten ervan een nootje mee te zingen. Pastoor Schuurkamp maakte hier op 13 oktober 1867 jammerlijk een einde aan. De zangeressen werd gevraagd zich onder dankzegging voor de goede en zo trouw bewezen diensten, als eervol ontslagen te willen achten. Organist Cornelis van Schie liet in 1878 zijn jaarlijkse traktement van f 50,- gulden welwillend aan het kerkbestuur voor het schilderen van het orgel, dat door zijn geëerde ouders aan de kerk was geschonken.

In zijn jaren binnen de parochie Schoten blijkt pastoor Schuurkamp 2 maal een been gebroken te hebben. In die tijd werd hij bijgestaan door een kapelaan. Pas vanaf 1884 werd de gemeente hem te groot en kreeg hij vaste hulp van een kapelaan. Pastoor Schuurkamp overleed op 5 december 1890 op 69 jarige leeftijd. Enige dagen later werd hij plechtig bijgezet op het parochiekerkhof.

De vierde pastoor van Schoten werd Andreas Jacobus Kester. Ondertussen blijkt de Bavo kerk te klein geworden en heeft de heer Rengs opdracht gekregen de kerk uit te breiden. Een aantal parochianen wil een deel van hun grond bebouwen ten gunste van de kerk. Zij willen de opbrengst van deze grond schenken aan de kerk ten bate van de armen in het buurschap en voor een school waar godsdienstles gegeven werd. Zo werd in 1893 de eerste bloembollenveiling gehouden met een mooie opbrengst.
De gemeente Haarlem heeft rond de eeuwwisseling al een groot deel van Schoten geannexeerd en er liggen bouwplannen op de tekentafel voor nog meer delen van Schoten. Ten zuiden van de Jan Gijzenvaart rukt de bebouwing op en ook langs het Spaarne komen fabrieken te staan. De arbeiders moeten ergens wonen. Pastoor Kester schrijft de Bisschop of hij twee delen van zijn parochie af mag staan aan de parochies van St. Joseph en aan die van St. Antonius van Padua. Dit voorstel wordt door de bisschop afgekeurd, maar hij accepteert het wél dat pastoor Kester het huisbezoek verdeelt onder de pastoors van genoemde parochies. Waarschijnlijk is het hier nooit van gekomen. Pastoor Kester overleed op 4 november 1900 op een leeftijd van 50 jaar. Ook hij werd bijgezet op het parochiekerkhof.

Vanaf dat moment werd de parochie geleidt door Joannes Bernardus Aloysius Diekmann. Pastoor Diekmann komt de eer toe de eerste katholieke school te hebben laten bouwen. Deze werd gelijktijdig met het bondsgebouw van de Volksbond Schoten (opgericht in 1906), gebouwd langs de Kerklaan vlakbij de Delft. De school bestond uit 5 lokalen en begon met 174 leerlingen. Op 9 augustus 1908 werd het 50-jarig bestaan van de St. Bavokerk gevierd. Niet alleen pastoor Diekmann was hierbij uiteraard aanwezig, maar ook pater Breek en de heer Zurlohe, oud-kapelaan van Schoten. In 1908 ging de kerk over op gasverlichting. Verwarming was er nog niet, bij de koster kon men zondags een warme stoof huren.

Na bijna 11 jaar werd pastoor Diekmann overgeplaatst naar Bodegraven. Joannes Martinus Eg werd de zesde pastoor van Schoten. Slechts zeven maanden heeft hij de parochie bestuurd. In 1911 telde de parochie ongeveer 1600 zielen. Dit maakte de aanstelling van een kapelaan noodzakelijk. In de zomer van 1912 werd pastoor Eg overgeplaatst naar Obdam. Hij werd opgevolgd door pastoor Henricus Pieterse.
De school draaide ondertussen al enige jaren met verlies. De bloembollenveiling leverde niet veel meer op omdat de grond in verval geraakt was. Een oplossing werd gevonden in een Pinkenveiling. De opbrengst van deze veiling in 1917 was zo hoog, dat de bollenakker opgeheven kon worden. 

De kerk ging zich in deze tijd bezig houden met de veiligheid o.a. van de kerkgangers en met de zielzorg voor de jeugd. In 1915 werd het St. Aloysius-patronaat opgericht.
In 1916 kreeg mijnheer pastoor het aan de stok met het koor. Volgens voorschrift van Paus Pius X moest de Gregoriaanse zangmethode ingevoerd worden. De heren zangers weigerden dit en de pastoor was verplicht om een bijna geheel nieuw koor in het leven te roepen. Om te voorkomen dat de vroegere leden van het zangkoor hun misnoegen zouden uiten over de nieuwe zangmethode, werd de koorafscheiding verhoogd. 

In 1919 kreeg de St. Bavokerk een nieuwe dochterkerk, de parochie St. Lidiuna. Pas in 1932 werd de parochie Santpoort in het leven geroepen. Vanaf 1928 kwam de woningbouw ten noorden van de Jan Gijzenvaart goed op gang. Hierdoor groeide ook het aantal parochianen, waardoor de oude Bavokerk al snel te klein werd.
Aanvankelijk maakte men plannen voor renovatie en vergroting, maar uiteindelijk werd toch gekozen voor nieuwbouw volgens de plannen van de architecten Simons en Voorvelt. Op 30 april 1935 werd de torenspits van de oude kerk omgehaald, het schip werd in 1936 afgebroken. De nieuwe kerk werd op een steenworp afstand van de oude kerk gebouwd. Op 22 maart 1936 werd deze veel grotere, naar ‘O.L. Vrouw van Zeven Smarten en de H. Bavo’ vernoemde kerk, officieel ingewijd. 

Rond 1958 werd er een tweede r.k. kerk in Haarlem-Noord gebouwd. Deze luisterde naar de naam ‘Petrus en Paulus kerk’. Toen begin jaren 90 van de 20e eeuw het kerkbezoek begon terug te lopen, werd besloten de laatstgenoemde kerk te sluiten.
Per 1 januari 1993 zouden de parochianen over gaan naar de ‘O.L. Vrouw van Zeven Smarten en de H. Bavo’. Het toenmalige parochiebestuur heeft daarop gekozen voor ‘De parochiegemeenschap Schoten’. Daarbij is ook de keuze gevallen op de naamswijziging van de ‘O.L. Vrouw van Zeven Smarten en de H. Bavo’ in de ‘Mariakerk’. Veel prachtige ornamenten uit de ‘Petrus en Paulus kerk’ zijn opgenomen in de ‘Mariakerk’, waaronder een gedenksteen, het tabernakel en de prachtige kaarsenstandaard die gemaakt werd door parochiaan Joop de Soet.
Sinds 2015 maakt de Mariakerk deel uit van de Franciscusparochie i.o. en in 2019 mag zij haar 175 jarig bestaan vieren.